vrijdag 8 januari 2021

Tien redenen waarom de taal van Couperus zo interessant is

Door Marten van der Meulen

Het is geen geheim dat ik vaker Couperus lees, noch dat ik me verwonder over zijn taal. Ik schreef eerder al eens over Couperus' woordgebruik in Het zwevend schaakbord en Boeken der kleine zielen. Nu was ik in de kerstvakantie in klassieke sferen. Boeken die te lang ongelezen in mijn kast stonden wegwerkend had ik net I, Claudius van Robert Graves gelezen, toen ik besloot om Antieke verhalen. Van goden en keizers, van dichters en hetaeren van Couperus ter hand te nemen (een boek dat ik kreeg als kado voor mijn eindexamen klarinet in 2008! Vervlogen tijden...). Vooral in het eerste verhaal, Adonis, viel me weer van alles op. In de beste blogtraditie maakte ik er vervolgens een listicle van. Wat Ik Las In Couperus Zal Jullie Verbazen!

1. Uitroeptekens. Ach ja, historisch besef. Zo zeldzaam, en toch zo nuttig. Allerhande zijn de artikeltjes en oproepjes in lifestylebladen en schrijfblogs om toch vooral niet teveel uitroeptekens te gebruiken. De schuld van appende jongeren! Maar weet je wie bij tijd en wijle ook veel uitroeptekens gebruikte? Louis Couperus!!!! Kijk maar eens naar deze passage:

"Gilt-uit zijn naam met mij! Adonis!! Adonis!!! Wat deeren mij Olympos en goden! Ik heb Adonis lief, ik heb Adonis lief! Adonis!!!!"

Tot wel vier stuks achter elkaar! En dat is niet de enige keer!! Op sommige pagina's staan er tientallen!!! Wel interessant is de manier waarop Couperus deze uitroeptekenstapelingen gebruikt. Een verdubbeling komt nooit voor zonder een enkel uitroepteken eerder, en voor drie idem. Het is dus een soort aanzwellende versterking (een soort pre-Mannheimer Schule trappendynamiek voor de kenners). 

2. Bijvoegelijkend. Het is in het Nederlands prima mogelijk om een onvoltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord te gebruiken: het zingend nijlpaard, de fluitende quagga. Maar Couperus doet hier iets ongebruikelijks mee: hij betrekt hier ook zelfstandige naamwoorden bij. Meestal in samenstellingen, zoals zweetparelenden doodsangst, bloembladersneeuwende roze-alkove en teenkrampenden voet (waarbij de relatie tussen alle verschillende woorddelen begrijpelijk maar voor mij moeilijk uit te leggen is), en soms maakt hij gewoon een nieuw werkwoord, zoals in heuvelend de schouderlijn.

3. Uitzinnige woordvorming. De vrolijk-creatieve woordvorming houdt hier niet op. Twee andere voorbeelden: 'Ik ben de wetendste' en 'Heelal, verontvruchtbaar'. In het eerste geval wordt van een werkwoord zomaar even een superlatief gemaakt (probeer dat maar eens: ik ben de lopendste? of maakt hij eerst een onvoltooid deelwoord en dan een superlatief? Verwarrend). In het tweede geval maakt hij niet alleen het bizarre werkwoord ontvruchtbaren, maar dan ook nog eens een gebiedende wijs van!

4. Rijs op. Zou ik dit nu schrijven, ik werd onmiddellijk door kortzichtige lieden van een anglicisme beticht. Maar Couperus gebruikt het blik- en bloosloos. Toch komt het op mij vreemd over: ik zou altijd verrijs hebben verwacht. Ik bedoel, oprijzen is op zich niet zo gek, maar ik vind verrijzen altijd al gewoner, maar zeker als gebiedende wijs.

5. Terugge keert. Hier moest ik twee keer naar kijken. Mijn eerste indruk was dat het een zetfout was (daar vond ik ook een andere van in het boek), maar bij herlezing werd me duidelijk dat ik het moest lezen als 'terugkeert' en niet als 'teruggekeerd'. Een woord dat je zo op het verkeerde been zet, zou daar een naam voor zijn? Het is meer dan een homoniem...

6. Gerotste. Een klein aantal woorden in het Nederlands heeft een zogenaamd circumfix (eromheen) ge-te: denk aan gebeente, geboefte, gebergte. Deze groep was ooit groter: hier wordt een bron aangehaald die o.a. getimmerte noemt. Couperus gebruikt ook nog weleens een ge-te-vorm: fraai is fabelgebeeste. Maar gerotste, dat kom ik nauwelijks anders tegen. Als adjectief wel, maar zelfstandig? Fraai hoor.

7. Scheidbare werkwoorden. Een bekend lastige en vooral fluïde klasse. Hier staat een mooi staatje met percentages per voorzetsel (geen idee of het klopt overigens). Bij Couperus kwam ik minstens twee ongescheiden werkwoordsvormen tegen, die ik gescheiden had verwacht: Adonis, aanzien mijn wanhoop, en vele vogels aanvingen heel zacht. 

8. Mare en andere woorden. Wat een mare is, dat weet ik best, maar toch is het een woord dat je maar weinig ziet. Maar wat te denken van het woord fulp in de zin een groote knaap, rossig fulp overblaakte zijn naaktheid? Dat woord kende ik niet, en met dit soort korte woorden is het ook moeilijk te doorzien wat het kan betekenen. Maar gelukkig zijn er woordenboeken, waardoor ik fulp nu kan plaatsen.

9. Vreselijk. Adonis was een vreeslijk jager. Tegenwoordig zou dit vooral betekenen dat hij er niks van kon, maar hier betekent het zonder twijfel vreeswekkend. Die betekenis is niet helemaal verdwenen denk ik; 'het was een vreselijk gezicht' kan nog wel vreeswekkend zijn, ik meen me dat uit vertalingen van Lovecraft te herinneren. Maar helemaal gangbaar is het toch ook niet meer. 

10. Nadruk. Niet alleen door uitroeptekens plaatst Couperus nadruk. Hij gebruikt ook accents aigu en grave (zoals in het haast Amerikaansemarinier aandoende hújà), maar ook kleinkapitaal. Het scheelt nog dat ik geen spatiëring tegenkom, daar heb ik toch zo'n hekel aan...

Leerzaam

En zo is er nog wel meer te bespeuren. Het is om allerlei redenen leerzaam en leuk. Bijvoorbeeld omdat dit absoluut een bewust register is, ook voor Couperus. De andere verhalen in de bundel bevatten véél minder van dit soort dichterlijke woorduitspattingen, maar hier, in dit duidelijk Ovidiusgeïnspireerde verhaal, houdt hij zich totaal niet in. Wat ook leuk is, is hoezeer de taal dan toch veranderd is in een slordige honderd jaar. Veel van wat Couperus doet, zoals zweetparelend, past voor mijn gevoel echt niet meer in de taal, ook niet in dichterlijke registers. Maar dat maakt het niet minder feestelijk om te lezen. Hoewel ik mensen vooral aanraad literair buiten de deur te kijken (hoeveel van de beste 100 Afrikaanse boeken van de 20e eeuw hebben jullie gelezen?), blijf ik toch ook absoluut Couperus aanraden.

5 opmerkingen:

  1. Verrukkelijk bloemlezing van Couperiaanse creativiteit!
    Ik denk een 'slip of the German pen': Mannheimer Schüle moet toch echt Mannheimer Schule zijn. Tsja, wij Nederlands vinden die Duitse Umlauts toch maar lastig, ik hoorde en las recent weer een paar keer 'Kürfurtsendamm' en andere foutieve varianten van dat woord.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. En 'Verrukkelijk' moet natuurlijk 'Verrukkelijke' zijn. Dat was weer een slip van mijn pen!

    BeantwoordenVerwijderen
  3. En oei oei nog één! Nederlands moest zijn: Nederlanders! En slip is zó gemaakt!

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dank! Zo zie je inderdaad maar hoe makkelijk dat is. Het geval Schüle is, denk ik, extra interessant: voorbeeld van iets Duitser willen maken dan het is. Zie je ook bij 'im frage'. We benadrukken de vreemdheid.

      Verwijderen
    2. Zo dacht ik altijd dat het: "immer gerade aus" was.
      Het blijkt dus "immer geradeaus" te zijn.
      Een mooi geval van klinkerbotsing.

      Verwijderen