Translate Milfy!

vrijdag 20 september 2013

10^Taal voor... Klaas Seinhorst

Taal: wie is er niet mee bezig? Blogs, twitters, tijdschriften, polemieken, ingezonden brieven, boeken. Er zijn heul veul mensen met evenveul meningen. Toch zijn er ook mensen die zich meer met taal bezig houden dan anderen. Daarom vraagt Milfje Meulskens hun mening over taal. Vandaag aan het woord Klaas Seinhorst, promovendus aan de UvA. Hij houdt van klanken, zowel talige als muzikale. 




  1. Wat betekent taal voor jou?
Taal is iets alomtegenwoordigs, een oneindig onderzoeksobject, iets om mee te spelen en in te verdwalen, een onophoudelijke stroom sjibbolets, iets waar ik steeds meer over leer maar me over blijf verwonderen, en – op een iets alledaagser niveau – mijn bron van inkomsten.
  1. Wat vind je van spellingsregels?
Er is een standaard nodig, natuurlijk, en als die bestaat uit weldoordachte, consequente regels is daar helemaal niets mis mee. Neem nu die tussen-n-regels die in 1995 werd geïntroduceerd: die maakten het spellen een stuk overzichtelijker. Natuurlijk zijn er rare uitzonderingen, maar alle mensen die klagen dat ze ineens ‘pannenkoek’ moeten schrijven lijken te zijn vergeten dat het vroeger – verwarrend genoeg – ‘bessesap’ en ‘bessenjam’ was. Dat gaat toch nergens over?
  1. Erger je je aan het taalgebruik van mensen?
Nou en of (maar allengs minder). Ik verbaas me bijvoorbeeld over de opkomst van ‘wat’ als betrekkelijk voornaamwoord – “de man wat ik zag”, er zijn werkelijk mensen die dat zeggen/schrijven. Maar goed, als taalwetenschapper en vurig Milfje-adept vind ik dat soort ontwikkelingen ook wel interessant. Ik erger me vooral aan de lakse houding die veel mensen ten opzichte van geschreven taal hebben. Ik kan me tot op zekere hoogte wel vinden in de tegenwerping “je begrijpt toch wat er staat?”, maar als ik bijvoorbeeld “arbeids ongeschikte uitkering” lees heb ik dus zeker een seconde nodig voor ik snap wat er wordt bedoeld. Je schrijft voor je lezer(s), doe dat dan ook een beetje zorgvuldig.
  1. Waarom denk je dat mensen zich ergeren aan taalgebruik?
Mensen zeuren sowieso graag, natuurlijk (lees de reacties op nieuwssites maar eens, niet zelden een intrigerende combinatie van zeer verontrustend en even zo vermakelijk), ik denk niet dat ze zich in het bijzonder ergeren aan taal. Ik vond de verklaring van Gaston Dorren erg mooi: misschien hebben mensen bij alles wat van hun gewoonten afwijkt het gevoel dat hun veilige bastion onder schut ligt.
  1. Je doet onderzoek naar onleerbare foneeminventarissen. Wat zijn dat?
Nou, ik onderzoek óf sommige foneeminventarissen onleerbaar zijn. Een foneeminventaris is de verzameling klanken die een taal gebruikt om betekenissen van elkaar te onderscheiden: in het Nederlands, bijvoorbeeld, is een ‘pak’ een ander ding dan een ‘bak’, dus de ‘p’ en de ‘b’ zijn fonemen van het Nederlands. Uit typologisch onderzoek blijkt dat bepaalde foneeminventarissen veel vaker in de talen van de wereld voorkomen dan andere, en ik vraag me af of sommige inventarissen zeldzaam zijn omdat mensen ze gewoon niet goed kunnen leren. Daar zijn aanwijzingen voor uit de experimentele psychologie, maar dat onderzoek is alleen gedaan met niet-talige stimuli. Daar wil ik verandering in brengen. Ik denk dat het daarbij belangrijk is om ook het diachrone aspect te bekijken: stel dat mensen een inventaris moeilijk kunnen leren, wat maken ze er dan uiteindelijk van? Iets dat wél makkelijk leerbaar is? Om dat te onderzoeken gebruik ik een paradigma dat ‘iterated learning’ heet: de output van leerder n is de input van leerder n+1. Zo creëer je een soort opeenvolgende “generaties” die van elkaar leren, net zoals dat bij echte taalverwerving gebeurt.
  1. Wat is je lievelingswoord?
Na mijn antwoord op de vorige vraag zou je denken dat het ‘(foneem)inventaris’ is, maar ik heb een zwak voor belegen termen als ‘schabouwelijk’ en ‘gramstorig’. ‘dagdieven’ (= niets doen) vind ik ook mooi – alsof je jezelf de dag ontneemt. Mag ik ook zeggen wat mijn minst favoriete woord is? Dat is ‘vleesboom’. ‘vleesboom’ is een Heel Vies Woord, mensen. (Zo’n ding op zich is ook niet heel poëtisch, natuurlijk.)
  1. Heb je een taalwens, en zoja, wat is het?
taalwens’, wat een curieuze term. Ik noem er twee. Allereerst zou ik wel terug willen naar mijn kritische/gevoelige periode (voor niet-taalwetenschappers klinkt dat misschien een beetje pms’ig, maar zo wordt de periode waarin je makkelijk een taal leert vaak genoemd) om meer talen te leren. Daarnaast zou ik willen dat taalwetenschappers iets terughoudender omspringen met het idee van aangeboren taalspecifieke kennis. Er zijn fonologen die met droge ogen beweren dat een pasgeboren baby nog verrast kan worden door zijn eigen voetjes, maar wel weet dat een taal jambisch of trocheïsch kan zijn: die kennis zou aangeboren zijn, en daarom kunnen kinderen zo snel en goed een taal leren. Ik vind de opvatting dat taal mettertijd (en er is nogal wat tijd verstreken sinds het ontstaan van taal) ingespeeld is geraakt op de eigenschappen en voorkeuren van de mens – wat kunnen we makkelijk leren, wat kunnen we makkelijk van elkaar onderscheiden, wat kunnen we makkelijk produceren, enzovoort – veel plausibeler en interessanter.
(Volgens Google is het antwoord van Prinses Laurentien op deze vraag iets beknopter: zij wil graag “dat wij ons blijvend en gezamenlijk inzetten voor een samenleving waarin taal een actieve en positieve plaats inneemt”. Daar heb ik eventueel ook niets op tegen, mocht mijn tweede wens niet uitkomen.)
  1. Wier of wiens taalgebruik vind jij inspirerend?
De naam die ik ga noemen is al vaker gevallen in deze serie prachtinterviews, maar degene die de grootste invloed heeft gehad op mijn taalgebruik – en mijn gevoel voor humor, of wat daarvoor moet doorgaan – is ongetwijfeld de Grote Volksschrijver, Gerard Reve. Een van mijn favoriete citaten is een advies dat hij Bram Peper ooit aan de hand deed, gratis en voor niets: "Wat je ook nog kan doen, als uiterste middel, is katholiek worden. Je wordt slanker en jonger, en slaapt een stuk beter. Het gelijkt een beetje op het communisme, maar het is esthetischer, en laat iedereen met rust. En er is prachtige muziek bij gemaakt."
  1. Welke taal zou je nog wel eens willen leren en waarom?
Iets exotisch! Het Nederlands heeft een heleboel bijzondere eigenschappen, maar het lijkt me leuk om iets heel anders te leren. Een toontaal, een taal met een enorme hoeveelheid clicks, zoiets. Op zoek naar het boekje “Hoe & Wat !Xóõ” dus. Een taal met een heel uitgebreid pronominaal systeem lijkt me ook leuk, of andere bizarre grammaticale distincties. Het Pools, bijvoorbeeld, heeft een aparte klasse telwoorden voor gemengde groepen (m/v), kleine kinderen, jonge dieren, en woorden die alleen in het meervoud voorkomen. Je vraagt je toch af waarom juist die klasse is ontstaan. Batshit crazy.
  1. Ken je nog een leuke woordgrap, taalgrap of taalspelletje?
Oh jee, het voelt net alsof ik nu meteen een leuke grap moet debiteren, daar ben ik vreselijk slecht in. In een grijs verleden, toen Milfje nog slechts een twinkeling in de ogen van heur ouders was, speelden we bij mijn opa en oma soms het volgende groepsspelletje: op een vel papier maak je een aantal kolommen, en daar boven aan schrijf je een aantal woordsoorten in een volgorde die vaak voorkomt in Nederlandse zinnen, bijvoorbeeld “lidwoord – bijvoeglijk naamwoord – zelfstandig naamwoord – werkwoord – bijwoord – lidwoord – bijvoeglijk naamwoord – zelfstandig naamwoord – voorzetsel – lidwoord – zelfstandig naamwoord”. Iemand vult een kolom in, vouwt het papier om zodat die kolom aan het oog onttrokken wordt, en geeft het papiertje aan de volgende, die hetzelfde doet, enz. enz. Uiteindelijk krijg je dan de idiootste zinnen.
Ik bedenk me nu dat voornoemde opa en oma in 1957 in de Verenigde Staten hebben gewoond; dat was ook het jaar waarin Chomsky’s boek ‘Syntactic structures’ uitkwam, met het befaamde onzinzinnetje “Colorless green ideas sleep furiously”. Ik zeg verder niets, maar toevallig is het wel.






Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen