Translate Milfy!

vrijdag 17 oktober 2014

TienKeerTaalVoor... Thijs Porck

Taal: wie is er niet mee bezig? Blogs, twitters, tijdschriften, polemieken, ingezonden brieven, boeken. Er zijn heul veul mensen met evenveul meningen. Toch zijn er ook mensen die zich meer met taal bezig houden dan anderen. Daarom vraagt Milfje Meulskens hun mening over taal. Met vandaag Thijs Porckdocentpromovendus bij de Opleiding Engels aan de Universiteit Leiden, docent Oud- en Middelengelse taal en cultuur en de geschiedenis van de Engelse taal (waarvoor hij dit jaar een prijs won!), en Oud-Engels popularisator in het algemeen. Zijn promotieonderzoek richt zich op ouderdom in vroegmiddeleeuws Engeland.

  1. Wat betekent taal voor jou?
In mijn onderzoek gebruik ik taal als een ‘sleutel naar cultuur’. Door een taal te bestuderen krijg je inzicht in de cultuur van de mensen die die taal spreken; waar hadden ze woorden voor, waarvoor juist niet? Hoe leggen hun woorden associaties en nuances bloot? In het Oudengels betekende het woord “gelefed” zowel ‘oud’, ‘ziek’ als ‘moreel corrupt’; blijkbaar waren er ook toen negatieve associaties met ouderdom.
  1. Nederlands of Engels?
Engels. Het Engels is een eigenaardige taal, met een fascinerend grote woordenschat en een bijzondere relatie tussen spelling en uitspraak. Waarom is ‘mice’ het meervoud van ‘mouse’? Waarom zijn er in het Engels soms drie verschillende woorden voor soortgelijke begrippen, zoals ‘ask, question, interrogate’ en ‘kingly, royal, regal’? Waarom schrijft men ‘knight’ met ‘kn’ maar wordt de k niet (meer) uitgesproken? In dit soort dingen zie je duidelijk sporen van een lange geschiedenis getekend door ondermeer invallen van Noorssprekende Vikingen en Franssprekende Normandiërs.
  1. Wat is je lievelingswoord?
Mensen kiezen hun lievelingswoorden om uiteenlopende redenen. Vaak heeft het te maken met de betekenis van de woorden, zoals de woorden ‘liefde’ en ‘samen’. Soms gaat het om de klank van het woord en J.R.R. Tolkien heeft bijvoorbeeld ooit het woord ‘cellardoor’ (kelderdeur) beschreven als het mooiste woord van de Engelse taal. Om dezelfde reden kiezen mensen voor woorden als ‘hullabaloo’ (luid lawaai) of het Nederlandse ‘ammehoela’.

Voor mij is een woord pas leuk als er een geschiedenis aan vast zit, zoals het Engelse woord ‘decoy’ (lokeend, lokmiddel), afgeleid van het Nederlandse ‘eendekooi’. Mijn lievelingswoord in dat opzicht is het Engelse woord ‘bunny’; dat komt in de zeventiende eeuw opeens opzetten en vervangt het woord ‘cony’. Het woord ‘cony’ (gerelateerd aan het Nederlandse ‘konijn’ en het Duitse ‘kaninchen’) wordt in die tijd minder gebruikt omdat het steeds vaker werd uitgesproken als ‘cunny’, een schunnig woord voor het vrouwelijke geslachtsorgaan. Een dergelijke ontwikkeling wordt in het Engels ook wel ‘taboo deflection’ genoemd; we danken er ook het groot aantal woorden voor het toilet aan.
  1. Oud-Engels wordt niet meer gesproken: is er nog wel genoeg onderzoeksmateriaal?
Het ‘Dictionary of Old English Corpus’, waarin alle Oudengelse teksten zijn verzameld, telt zo’n drie miljoen woorden. Dat is bijna vier keer zoveel als het verzameld werk van Shakespeare bij elkaar. Af en toe wordt er nog wel eens een korte inscriptie ontdekt, zoals laatst een 8e eeuwse dichtregel op een pincet, maar het is min of meer een afgesloten corpus. 

Dat betekent niet dat alle vragen al beantwoord zijn; met name nieuwe, digitale technieken leiden tot nieuwe inzichten en nieuwe onderzoeksvragen. Zo schreef een student van mij twee jaar geleden een programma waarbij hij gebruik maakte van ‘The Thesaurus of Old English’, een hiërarchisch woordenboek van het Oudengels waarin woorden hiërarchisch zijn ingedeeld op begrippen. Met één druk op de knop kon hij vervolgens laten zien voor welke zaken men in het Oudengels de meeste woorden had.
  1. Je promotieonderzoek richt zich op ouderdom in vroegmiddeleeuws Engeland. Keek men toen heel anders tegen ouderdom aan dan vandaag?
Niet heel anders. Over het begrip ouderdom in het verleden bestaan veel misverstanden: ‘vroeger werden de ouderen nog wel gerespecteerd’, ‘men was toen al ‘oud’ als je een jaar of 35 was’ en ‘men bestempelde elke oude vrouw als een heks’. Die beelden kloppen vrijwel allemaal niet.

Oudengelse teksten beschrijven ouderdom toch met name als een probleem en niet persé als een reden voor respect en waardering. Een oude koning was bijvoorbeeld een serieus politiek probleem, omdat hij fysiek niet langer in staat was belangrijke functies uit te voeren. De leeftijdsgrens voor ouderdom was 50 jaar; dat is weliswaar iets lager dan bij ons, maar zeker niet 35. Bovendien waren er ook toen genoeg mensen die tot zeventig of tachtig jaar oud werden. Oude vrouwen, tenslotte, komen in vroegmiddeleeuwse, Engelse teksten juist naar voren als gerespecteerde ‘cultuurdragers’ ; heksen waren veelal jonge vrouwen.

  1. Het werk van Tolkien is een onderwerp waarover je hebt gepubliceerd en ook wel eens lezingen geeft. Hoe verhoudt de auteur van The Lord of the Rings en The Hobbit zich tot jouw vakgebied?
Tolkien was naast fantasyschrijver ook hoogleraar Oudengels aan de Universiteit van Oxford. Zijn interesse in Oudengels en andere middeleeuwse literatuur heeft duidelijke sporen achter gelaten in zijn fictie. Veel namen van karakters en plaatsen, waaronder Saruman, Theoden en Isengard, komen uit het Oudengels, The Hobbit heeft verschillende verhaalelementen uit het Oudengelse gedicht Beowulf en in The Lord of the Rings spreken de Rohirrim zelfs gewoon in het Oudengels!

Door Tolkien bij mijn onderwijs te betrekken probeer ik mijn vakgebied aantrekkelijk te maken voor studenten en, door middel van lezingen, ook naar buiten toe. Met Tolkien heb je een groter bereik dan met Oudengels alleen: mijn artikel over Oudengelse invloeden in The Hobbit werd vorig jaar opgepikt door het weblog Medievalists.net en is toen meer dan tweeduizend keer geliket (of moet dat geliked zijn?). Dat artikel heeft zo dus meer lezers gevonden, vrees ik, dan elk van mijn andere publicaties bij elkaar.
  1. Heb je een taalwens, en zoja, wat is het?
Ik zou het mooi vinden als er in het middelbaar onderwijs meer aandacht zou worden geschonken aan taalgeschiedenis en taalverleden; laat scholieren niet alleen´onregelmatigheden´ stampen, maar leg uit waar die vandaan komen.
  1. Wier of wiens taalgebruik vind jij inspirerend?
Sinds mijn jeugd ben ik gegrepen door de taal van Jean Dulieu, de geestesvader van Paulus de Boskabouter, wiens radiohoorspelen ik wel tig keer geluisterd heb. Dulieu speelde briljant met taal: van het ‘geleerde gebrabbel’ van Oehoeboeroe (“desalnietemin nogal wel zo tamelijk”) tot de verhaspelingen van Gregorius de Das (“halemeel niet!”). Hij maakte ook gebruik van woordspelingen, zoals een humeurige bromvlieg of een fietspad (een pad op een fiets).

Een aflevering die mij nog levendig voor de geest staat is het verhaal over de vliegmachine van professor Punt; deze werkte op een geranium (niet op uranium), had een cockpit waar geen kok in lag te pitten en was een straaljager, want er stond een gietertje bovenop waar een straaltje water uitkwam.
  1. Welke taal zou je nog wel eens willen leren en waarom?
Ik zou ooit nog eens een niet Indo-Europese taal willen leren, zoals Zoeloe. Je begint dan helemaal op ‘nul’ en wordt niet gehinderd (of geholpen) door kennis van gerelateerde talen. Zoeloe lijkt me dan weer leuk door de films over Shaka Zulu.

10. Ken je nog een leuke woordgrap, taalgrap of taalspelletje?

Ik teken weleens taal- en woordgrapjes op het whiteboard in mijn kantoor:

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen