Translate Milfy!

maandag 20 oktober 2014

Die Stroop, die weet wat

Men is in taalboekenland vroeg klaar voor het feestseizoen dit jaar. Kwamen er eerder al boeken uit van Van Dale, nu is er Die taal, die weet wat van eminente grijze Jan Stroop. Het boek is een bundeling van artikeltjes en blogposts die in een varieteit aan bronnen verscheen. De gemene delers zijn de Nederlandse taal en de historische taalkunde. Voor meer achtergrond, zie het video-interview van Stroop met Van Oostendorp op Neder-L.


Stroop schreef al eerder een populariserend boek over de Nederlandse taal: Hun hebben de taal verkwanseld. In dat boek bekeek hij o.a. veelvoorkomende taalergernissen, en ook nu is dat een belangrijk onderdeel van het boek. De insteek is nu echter iets anders. Stroop bekijkt het nu allemaal “vanuit een historisch perspectief. Wanneer zijn die regels bedacht, waarom en door wie?”.

Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel behandelt Stroop drie hete hangijzers (hen/hun, een mooi(e) meisje, en groter als/dan) en één stukje over uitspraak en “zijn” Poldernederlands. Belangrijker zijn de twee stukjes die hieraan voorafgaan. In die stukjes laat Stroop namelijk zien dat er een groot verschil is tussen wat wij niet mooi vinden, en wat niet kan. Zijn leus: wat niet kan, kun je niet zeggen. Dat klinkt als een open deur, maar is eigenlijk een heel fundamenteel aspect van taalgebruik. Natuurlijk maken wij af en toe foutjes, zoals versprekingen, maar echt fout, dat kunnen taalgebruikers niet. Daarnaast legt hij uit waarom we bepaalde dingen fout vinden, en wie dat bedacht hebben, en waarom ze dat hebben gedaan. Lees het stukje maar (De lange arm van de grammatici, zie hier voor een andere, eerdere versie), en realiseer je: veel van wat wij denken dat fout is, komt omdat 16e/17e/18e eeuwse taalamateurs vonden dat het Nederlands op het Latijn moest lijken.

Een van de aangename dingen van dit werkje is de wetenschappelijke context. Duidelijk komt naar voren dat taal systematisch moet worden bestudeerd. Er is een historische dimensie aanwezig, die in de vorm van citaten uit allerhande oude bronnen (belangrijk voor mensen die denken dat de taal verloedert: al die fenomenen, als/dan, meisje die, komen al 1000 jaar voor). Maar ook komen er andere wetenschappelijke gereedschappen aan bod, zoals het Corpus Gesproken Nederlands, een verzameling gesproken taal die een schat aan materiaal vormt voor taalonderzoekers. Door dit corpus voor het voetlicht te brengen maakt Stroop duidelijk hoe men eigenlijk systematisch onderzoek kan doen naar het werkelijke gebruik en voorkomen van bijvoorbeeld bepaalde woorden of zinsstructuren.

Het enige minpunt aan deze stukjes is dat Stroop een grote afstand lijkt te hebben met de gemiddelde taalgebruiker. In deel twee, waarin hij allerhande taalfenomenen beschrijft, komen soms taalgebeurtenissen aan bod die veel stof hebben doen opwaaien, zoals de spatie in Rijks Museum. “Toch is het vreemd dat die spatie in Rijks musem nu zo veel commotietjes veroorzaakt heeft”, schrijft Stroop echter. Inderdaad, vanuit een historisch oogpunt is die spatie te verklaren en zelfs aan te moedigen, maar Stroop lijkt hier uit het oog te verliezen dat de gemiddelde taalgebruiker gewoon wil vasthouden aan de regels die z/hij heeft geleerd. Zo heeft de volkskrantrecense zich niet laten overtuigen - Mieke Zijlmans schrijft: "De moedertaalspreker praat niet voor zijn eigen lol, maar om de toehoorder iets duidelijk te maken. Dat lukt het beste wanneer spreker en toehoorder hetzelfde taalsysteem hanteren." Zijlmans heeft niet uit het boek gehaald dat dat taalsysteem nu juist bestaat uit de regels die de taalgebruikers al kennen, in plaats van die die ze later op school geleerd hebben.

Hier ontstaat dus soms wat afstand tussen Stroop-als-mens en Stroop-als-wetenschapper. Hij lijkt kunstmatig afstand te willen nemen van zijn materie, want, zoals hij in het voorwoord schrijft, taalonderzoekers hebben geen mening. Hij houdt dit standpunt (gelukkig) niet het hele boekje vol. Vooral in deel drie, dat over dialecten gaat, komt zijn liefde voor taal naar voren. Hij schrijft bijvoorbeel over zijn favoriete dialectwoorden, of over de verschillende woorden voor ui (zie hier in de Kaartenbank van het Meertens een mooi voorbeeld van een dialectkaart van ui/ajuin in Limburg). In die stukjes komt Stroop dichter bij de taal, en pas dan merken we ook de liefde op die hij voor de materie heeft.

Een ander merkwaardig punt is dat veel van de stukjes niet “af” zijn. Stroop signaleert een verschijnsel en vraagt zich af hoe het ermee zit, of vecht de heersende mening aan. De gepubliceerde stukjes trekken vaak geen conclusie, maar eindigen met een overzicht van de overpeinzing. Voorbeeld is het stukje over de herkomst van de uitdrukking dat klopt! Aanvankelijk komt dit raar over, maar na een tijdje wen je eraan. Groot voordeel is dat het op een bepaalde manier een accurate afspiegeling is van de wetenschappelijke werkelijkheid: we weten veel dingen niet zeker, publicaties geven vaak een interpretatie aan op een gegeven moment, die later weer kan veranderen.

Ondanks die kleine minpunten is Die taal, die weet wat gewoon een fijn, aangenaam boekje. Grootste pluspunt wat ons betreft is de ware wetenschappelijkheid die overal doorheen ademt, maar die de leesbaarheid niet hindert. Zo hoort het!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen