Translate Milfy!

vrijdag 27 juni 2014

10^Taal met... Alwin Kloekhorst

Taal: wie is er niet mee bezig? Blogs, twitters, tijdschriften,
polemieken, ingezonden brieven, boeken. Er zijn heul veul mensen met evenveul meningen. Toch zijn er ook mensen die zich meer met taal bezig houden dan anderen. Daarom vraagt Milfje Meulskens hun mening over taal. Vandaag weer eens wat anders: Alwin Kloekhorst, 36 jaar, universitair docent bij de opleiding Taalwetenschap aan de Universiteit Leiden. Hij specialiseert zich in de vergelijkende Indo-Europese taalwetenschap, en dan vooral de historisch-taalkundige interpretatie van het Hittitisch en de andere Anatolische talen (talen die gesproken werden in het 2e en 1e millennium v.Chr. in het huidige Turkije).  


  1. Wat betekent taal voor jou?
Taal is voor mij een fascinerend iets. Ik vind het bizar dat je met het uitspreken van op zich willekeurige klanken toch bij iemand anders allerlei gevoelens op kan roepen, van blijdschap tot ontroering tot afschuw. Daarnaast vind ik het ontzettend intrigerend dat er achter al die klanken mathematische systemen liggen. Maar waar ik zelf het meest mee bezig ben is de stap van schrift naar taal, en dan vooral van uitgestorven talen. Een groot deel van mijn onderzoek gaat over de vraag hoe je kunt bewijzen wat de precieze fonetische uitspraak is geweest van de spijkerschrifttekens die de Hittitische schrijvers 3500 jaar geleden gebruikten.
  1. Je vakgebied is vergelijkende Indo-Europese talen. Wat moeten mensen zich daarbij voorstellen?
Een soort van taalkundige genetica. Vrijwel alle talen van Europa en een heel stuk Azië zijn aan elkaar verwant, wat betekent dat ze uiteindelijk allemaal afstammen van één en dezelfde moedertaal. Deze groep talen noemen we de Indo-Europese taalfamilie. Door al die talen heel precies met elkaar te vergelijken en de overeenkomsten maar vooral ook de verschillen in kaart te brengen (een soort dna-vergelijkingsonderzoek), kun je de exacte familieverhoudingen vaststellen. Ook kun je zo de moedertaal van deze familie reconstrueren. Op deze manier kun je van alle talen precies achterhalen hoe ze in de loop van duizenden jaren veranderd zijn, wat ons heel veel leert over taalverandering in het algemeen. Ook kun je op deze manier reconstrueren hoe de sprekers van deze talen zich in de loop van die duizenden jaren over de aardbol hebben verplaatst.
  1. Hoe ben je in die hoek verzeild geraakt?
Op de middelbare school legde mijn lerares klassieke talen uit dat het Latijnse sequi en het Griekse hepomai, die beide ‘ik volg’ betekenen, eigenlijk ook dezelfde vorm hebben, als je maar weet dat een Griekse h op een s teruggaat, en dat de Griekse p uit een eerdere kw komt. Daarnaast zijn beide vormen media tanta, dus de overeenkomst is compleet. Ik was met stomheid geslagen: dat je dit met taal kon doen, en dat het werkte! Ik wist meteen dat ik hier alles van wilde weten, en toen bleek dat hier een hele studie van was, besloot ik meteen dat ik dat wilde gaan studeren.
  1. Je hebt onlangs een Vidi-beurs gekregen om onderzoek te doen naar het “uiteenvallen van de Indo-Europese moedertaal” (waarvoor nog gefeliciteerd). Hoe ga je in dit onderzoek te werk?
Dankjewel! Ik ben ook heel erg blij met die beurs! De Indo-Europese taalfamilie bestaat uit verschillende dochtergroepen (bv. Germaans, Slavisch, Iraans, etc.) waarvan sommige nauwer met elkaar verwant zijn dan met anderen. Op deze manier vormen al die groepen een stamboom met allerlei vertakkingen, die allemaal uiteindelijk teruggaan op de Proto-Indo-Europese moedertaal. Van één van die groepen, het Anatolisch, weten we niet waar we die precies in de stamboom moeten plaatsen. Eén van de hypotheses is dat dat Anatolisch misschien helemaal geen dochter is van dat Proto-Indo-Europees, maar eigenlijk een zus. Als dat zo is, dan kunnen het Anatolisch en het Proto-Indo-Europees samen teruggevoerd worden op een nog ouder taalstadium, een soort grootmoedertaal, wat betekent dat voor alle Indo-Europese talen (dus ook het Nederlands!) de voorgeschiedenis met eeuwen, misschien wel millennia verlengd kan worden. Om deze hypothese te onderzoeken ga ik heel precies de positie van het Anatolisch binnen de Indo-Europese taalfamilie bepalen met behulp van de zogenaamde cladistische methode, een soort van taalkundige tegenhanger van genetisch stamboomonderzoek.
  1. Eerder deed je onderzoek naar het Hettitisch, door o.a. naar potscherven te kijken. Hoe puzzel je die teksten aan elkaar?
Die potscherven waren eigenlijk in het Lydisch, een zustertaal van het Hittitisch (beide behorende bij de Anatolische taalgroep). Of beter gezegd: dat was de uitkomst van een onderzoek dat ik samen met een collega heb gedaan. Wij waren namelijk door een Turkse archeoloog uitgenodigd om nog onontcijferde graffiti op potscherven te bekijken, die hij bij zijn opgravingen in de Perzische satrapenstad Daskyleion (in noord-west Turkije) had gevonden. Hij wilde graag weten of we zo konden bepalen wat voor mensen in die stad leefden. Veel van die scherven zijn erg klein, en de graffiti zijn vaak lastig te lezen. Door heel precies, met juiste belichting en vergrootglas, alle lettertjes van de graffiti te ontwaren konden we bepalen in welke taal ze geschreven waren. Samen met de dateringen van de potscherven door de archeoloog, konden we nu bewijzen dat in de 6e en 5e eeuw v.Chr. in die stad naast Grieken ook Frygiërs en Lydiërs gewoond moesten hebben. Vooral dat laatste kwam als een verrassing, omdat we totnutoe alleen maar wisten dat het Lydisch in een gebied 200 km ten zuiden van Daskyleion gesproken werd. Met deze vondst konden we ineens een stuk van de taalgeschiedenis van pre-hellenistisch Turkije herschrijven.
  1. Wat is je lievelingswoord (in Nederlands of natuurlijk een taal naar keuze)?
In het Nederlands vind ik graag erg mooi. Die schrapende g’s aan het begin en het eind, en daar tussenin, met een beetje geluk, een mooie huig-r, zodat het hele woord één schrapende sensatie is. Heerlijk.

Mijn favoriete Hittitische woord is ekutta ‘hij dronk’, omdat je met deze vorm niet alleen kunt bewijzen dat het Hittisch gelabialiseerde velaren kende, maar ook dat het in zijn stop-systeem wel een distinctie tussen consonantlengte had, maar niet tussen stemloos- en stemhebbendheid.
  1. Doceren of onderzoeken?
Beide. Ik vind het onderzoeken geweldig omdat je daar je creativiteit in kwijt kan, en daarbij soms echt geschiedenis kan schrijven door als eerste persoon ter wereld iets bedacht te hebben. Maar juist tijdens het het doceren word je gedwongen allerlei details over een bepaald onderwerp te weten (studenten vragen namelijk naar álles!), waardoor je je heel erg bewust wordt van de gaten in je kennis, en dus van de gebieden waarnaar nader onderzoek gedaan moet worden. Ik vind het dus een win-win-situatie.
  1. Computers hebben een grote impact op de taalkunde, met o.a. Big Data, corpus linguistiek en Natural Language Processing. Maakt ook jouw vakgebied veranderingen door?
Ja, enorm! Op het gebied van het Hittitisch komt er steeds meer online, in grote databases met een schat aan informatie. Vooral de internet-database waarin foto’s te vinden zijn van vrijwel alle Hittitische kleitabletten die opgegraven zijn is fantastisch. Als je vroeger wilde checken of een bepaald woord echt zo geschreven staat als in de literatuur beweerd wordt, moest je helemaal afreizen naar het museum in Turkije waar het betreffende tablet bewaard wordt om een kijkje naar de spijkerschrifttekens zelf te nemen, terwijl je nu van achter je computer de foto heel nauwkeurig kunt bekijken.
  1. Wier of wiens taalgebruik vind jij inspirerend?
De poëzie van Hans Lodeizen vind ik adembenemend mooi. Ik kan niet mijn vinger leggen op waarom, maar zijn gedichten raken me enorm. Als het over proza gaat vind ik Tom Lanoye fantastisch. Wat een overdonderend ronkende en meeslepende stijl heeft die man.
  1. Welke taal zou je nog wel eens willen leren en waarom?

Het Oebychs, een recentelijk (in 1992) uitgestorven Noord-Kaukasische taal, omdat het de taal is met de grootste medeklinkerinventaris ter wereld (84 medeklinkers vs. maar twee klinkers). Dat moet razend moeilijk zijn om te leren, maar ik hou wel van dat soort uitdagingen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen